‘DOOD, MAAR NIET VERGETEN’

Graven en grafkelders op ‘den Aje Kirkhaof te Roermond

 

 AANVULLINGEN VAN GRAFBESCHRIJVINGEN NA HET VERSCHIJNEN VAN HET BOEK OP 16 JANUARI 2015

 

(in alfabetische volgorde)


Ruben Sally Hendrik Baer (1943-1943) (Vak C,3)

Voor zover bekend was het enige uiterlijk nog deels herkenbare kindergrafje op de nieuwe joodse begraafplaats dat van de slechts vier dagen oud geworden Ruben Baer. Zijn moeder, Flora Salomon, werd voor de bevalling van haar kindje opgenomen in het Laurentius ziekenhuis in Roermond, alwaar enkele dagen na de geboorte haar zoontje op 13 april 1943 is overleden. Met medewerking van het ziekenhuispersoneel heeft zij kunnen onderduiken bij de familie Roosendaal in Wessem en zo kunnen ontsnappen aan de derde deportatie naar Westerbork, die vrijwel samenviel met haar verblijf in het ziekenhuis. Enkele maanden later werd zij verraden door een NSB‘er en vervolgens gearresteerd door de Roermondse politiecommandant Toon Roselle, die een fervent jodenjager was en in 1944 alsnog naar het concentratiekamp Bergen-Belsen weggevoerd. Zij overleefde echter de ontberingen en keerde na de bevrijding van het kamp op 15 april 1945 door de Britten, weer terug bij de familie Roosendaal. Na haar herstel aldaar emigreerde zij vervolgens naar de Verenigde Staten. Rubens vader Leo Baer (1886-1944), geboren in Idar-Oberstein (D.), kwam in Auschwitz om, evenals zijn in Vierssen (D.) geboren 13 jarige zoon Rolf Helmut Baer (1931-1944). Het gezin woonde destijds aan de Dr. Leursstraat 8. Op 9 mei 2017 werd er in opdracht van de Stichting Oude Kerkhof een nieuw grafmonumentje op het grafje geplaatst en werd het geadopteerd door leerlingen van de tegenover de begraafplaats gelegen Synergieschool.

Met dank aan Hein van der Bruggen.
* Bron: 'Stilte en lofzang, joodse begraafplaatsen en grafstenen in Limburg' door Adrie Drint, LGOG 1996.


 

Flora Baer-Salomon, moeder van Ruben Baer (archief Hein van der Bruggen)

 

Barbara Becks (1863-1939) (Vak 14, 34)
De in Swalmen geboren winkelierster Barbara Becks was slechts 16 jaar oud toen zij in 1880 trouwde met de 47jarige Willem Emilius Caquelin. Haar jonge leeftijd bleek geen beletsel om voor de kerk in het huwelijk te treden met haar 31 jaar oudere echtgenoot. Of er in verband hiermee dispensatie aan dit huwelijk verleend werd, is niet bekend. Willem Emilius Caquelin werd in 1832 geboren in Nijmegen, was van 1876 tot 1891 stationschef in Swalmen en overleed in 1906. Het echtpaar Caquelin-Becks kreeg tussen 1881 en 1889 zes in leven gebleven kinderen.

 

Lucia Maria Katharina de Bock(1945-1945) (Vak 15, 3)
Lucie de Bock werd op 8 februari 1945 te Wuppertal (D.) geboren. Zij overleed 25 mei 1945 om 23.45 uur te Roermond en werd 3 maanden en 17 dagen oud. Haar ouders waren Johannes Joseph Hubertus de Bock, van beroep kantoorbediende en Theodora Hendrika Johanna Welling, zonder beroep.
(Mededeling Maria Lesscher-de Bock, Morsbach, NRW, Duitsland).

 

 

Hubert Marie Pierre van Borren (1912-1935) (Vak 9, 20)
Op 14 maart 1935 stortte bij werkzaamheden aan de water- en gasleidingen bij het Redemptoristenklooster van de 'Kapel in 't Zand' aan de Heinsbergerweg een muur in waarbij hulpfitter bij de Waterleidings maatschappij, Huub van Borren, wonende aan de Lindanusstraat 16, op slag gedood werd. Twee collega's konden ternauwernood uit de diepe geul komen die langs de muur gegraven was teneinde er nieuwe buizen in te plaatsen. Het verschuiven van een zandlaag bij de fundamenten bleek de oorzaak van de instorting. Het slachtoffer had nog snel enkele werktuigen willen grijpen alvorens hij de kuil zou verlaten, met het gevolg dat hij niet tijdig weg kon komen.
De in allerijl ontboden dokter Wiggelendam kon slechts de dood constateren. Op 18 maart werd Van Borren vanuit de Kathedrale Kerk naar zijn laatste rustplaats gebracht.
(Met dank aan Jo Schreurs, Herten)

 

Huub van Borren


Ludovicus Campers (1896-1928) (Vak 3b, 34)
Op vrijdag 13 juli 1928 om 14.20 uur vond er in de Staatsmijn Hendrik te Brunssum een grote ramp plaats. Een mijnwerker had met een van benzine voorziene veiligheidslamp (z.g. Davylamp) gekeken of er in breukpijler 436 mijngas in de gang aanwezig was. Waarschijnlijk door een abrupte beweging van de lamp, vatte het uiterst brandbare methaangas in de mijngang vlam en explodeerde waardoor meerdere galerijen instortten. Er vielen dertien slachtoffers waaronder de in Roermond geboren Lowie Campers, 31 jaar oud en vader van zes jonge kinderen, waarvan de jongste slechts twee maanden oud. Pas dertien dagen later konden reddingswerkers de plaats bereiken waar de ontploffing was ontstaan. Daar konden zij twee koempels bergen. Een dag later kon uiteindelijk de laatste dode worden gelokaliseerd en geborgen. Op 30 juli 1928 werd voorman-houwer Campers in Roermond begraven

 

 

Lowie Campers



Susanne Charlotte Clarenbach (1834-1873) (Vak A, 550)
De vader van Susanne Charlotte Clarenbach was de uit Remscheid afkomstige Peter Arnold Clarenbach (1794-1869). Tengevolge van de slechte economische verhoudingen in zijn geboorteland Duitsland emigreerde hij in 1922 naar Java alwaar hij onder meer te Semarang in diverse administratieve functies werkzaam was. In 1823 huwde hij Wilhelmina Frederika von Wolzogen (1796-1871), geboren in Semarang (Indonesië). Wolzogen is de naam van een oorspronkelijk Neder-Oostenrijks adellijk geslacht dat zich uitbreidde, enig aanzien genoot en tot op heden nog gedeeltelijk bestaat. De Indo-moeder van Wilhelmina Frederika von Wolzogen behoorde tot het geslacht Von Stralendorff. Deze tak is geparenteerd aan o.a. actrice Wieteke van Dort (*1943) en Andy Tielman (1936-2011), oprichter van de Indo rockband de ‘Tielman Brothers’ Het eerste huwelijk van Wilhelmina Frederika von Wolzogen was met de Amsterdammer Frederic Bor (1786-1821), waaruit één dochter geboren werd. In 1823 vond te Semarang haar tweede huwelijk met Peter Arnold Clarenbach plaats waaruit zes kinderen, onder wie Susanne Charlotte Clarenbach, ontsproten zijn. Peter Arnold Clarenbach overleed op het landgoed Stoegoer, Midden-Java.* Zijn dochter Susanne trouwde in 1855 te Salatigo (Java) met Joseph Wolff, majoor der Oost Indische Cavalerie. In 1859 werd in Batavia hun eerste dochter Josephina Charlotte Wilhelmina geboren, in 1862 hun tweede dochter Susanna Charlotte Josephina in het district Weltevreden, in de koloniale tijd een door Europeanen bewoonde villawijk van Batavia, ongeveer 12 km verwijderd van het stadscentrum. Na het overlijden van Joseph Wolff in 1868 werd Leonardus Adrianus Hoogenstraaten, gepensioneerd administrateur van de tinmijnen te Marawang op het eiland Banka, gehuwd met Arnolda (Daatje) Brouwer en wonende te Tegelen, tot voogd van de kinderen benoemd**. Josephina Wolff huwde in 1877 te Roermond Jan Prosper Schoemaker, kapitein bij het KNIL. Hij werd geboren in Fort Willem 1 op Java, overleed in 1918 te Den Haag en werd begraven in Nijmegen. Het echtpaar kreeg drie kinderen waaronder Charles Prosper Schoemaker en Richard Leonard Arnold Schoemaker (1886-1942) ***. Laatstgenoemde werd geboren in Roermond, nam als schermer deel aan de Olympische Spelen in 1908 te London, was hoogleraar architectuur en in WO II leider van de verzetsgroep Schoenaker. In 1942 werd hij te Sachsenhausen wegens verzetsactiviteiten gefusilleerd. Hun beider grootmoeder, Susanne Wolff-Clarenbach vestigde zich voorheen, na eerst gewoond te hebben bij het echtpaar Hoogenstraaten in Tegelen, in 1872 aan de Veldstraat in Roermond alwaar zij vier maanden later, 38 jaar oud, overleed.**** Haar bijna 150 jaar oude grafsteen is, ondanks de met enige moeite te lezen tekst, nog in redelijke goede staat.

Bronnen:
* Genealogie Clarenbach in de Indische Navorscher Jrg. 4, 1938, pag. 43-44,

** Zie Aanvullingen grafbeschrijving Leonardus Adrianus (Leo) Hoogenstraaten (1812-1893) (Vak A, 696). Voor Arnolda Brouwer was dit haar tweede huwelijk. Haar eerste huwelijk was met Jean François Schoenaker die in 1817 te Waterloo (B.) geboren werd en in 1856 te Batavia overleed aan opgelopen verwondingen. De twee kinderen uit dit huwelijk, Jan Prosper Schoemaker en Johanna Maria Schoemaker werden liefdevol in het gezin Hoogenstraaten opgenomen.

*** Prof. Ir. Charles Prosper Wolff Schoemaker (1882-1949) werd in Nederlands-Indië geboren, bracht een deel van zijn jeugd door in Roermond en ging later als afgestudeerd ingenieur terug naar Indië. Charles behoorde tot de derde generatie Schoemakers die woonachtig was in Nederlands-Indië. Ook de Nederlandse tak van de familie bestond voor een groot deel uit militairen. In 1921 veranderde hij zijn achternaam in Wolff Schoemaker. Wolff was de familienaam van Schoemaker’s moeder Josephina Wolff. De oudste zoon, Jan Prosper, trouwde met de oudste van de twee, Josephine Charlotte Wolff. Op gevorderde leeftijd zou Josephina Wolff haar oudste zoon Charles gevraagd hebben haar familienaam aan zijn eigen familienaam toe te voegen omdat de naam anders zou uitsterven. Charles was eerst als militair werkzaam bij de Genie in het KNIL, was directeur Gemeentewerken in Batavia en begon daarna aan eigen architectenbureau te Bandoeng. Hij behoorde tot de top drie van de Nederlandse architecten in vooroorlogs Nederlands-Indië en werd omschreven als de ‘Frank Lloyd Wright’ van Indonesië (Wikipedia). Vermeldenswaard is het gegeven dat een van de ex- echtgenotes van Charles (hij huwde vijf maal), Corona Hilgers, geparenteerd is aan de stamboom van Prins Bernhard . Charles Prosper Wolff Schoemaker, die een zeer goede vriend was van de eerste president van Indonesië Soekarno, werd Islamiet en voegde de naam Kemal toe aan zijn geboortenamen.
In 2008 promoveerde C.J. van Dullemen (1954) aan de Universiteit Utrecht met zijn proefschrift ‘Op zoek naar de tropenstijl: leven en werk van prof. Ir. C.P. Wolff Schoenaker, Indisch architect. Deze dissertatie is bij het samenstellen van deze grafbeschrijving meermaals geraadpleegd.

**** Testament Susanne Charlotte Clarenbach, weduwe van Jozef Wolff, Tegelen in GAR, Archief Guillon inv.nr. 1871/80 d.d. 3 okt. 1871

Links de laatste rustplaats van Louisa Sloot-Van Haastert, rechts het graf van Susanne Wolff-Clarenbach




Hanna (Anna) Cohen de Kadt (1812-1901) (Vak C,54)
Op het oudste gedeelte van de nieuwe joodse begraafplaats bevindt zich de enige liggende steen op een sefardisch graf. Alle overige rechtopstaande matseva’s op dit gedeelte hebben een asjkenazische signatuur. Asjkenaziem is de aanduiding voor joden afkomstig uit Midden-en Oost-Europa; de Sefardische joden komen van origine uit Spanje, Portugal, Marokko en andere landen rond de Middellandse Zee.
Hanna Cohen de Kadt werd geboren in Oss (N.B.) en was gehuwd met de uit Emmerich (D.) afkomstige koopman Alexander Jacob Amsel (1800-1879). Hij overleed onverwacht te Keulen daags vóór het voorgenomen huwelijk op 2 juli 1879 van zijn jongste zoon Philip met Emmy Schwartz, de dochter van de plaatselijke rabbijn en werd aldaar begraven. Het echtpaar Amsel-Cohen de Kadt kreeg tien kinderen, waarvan er twee eveneens hun laatste rustplaats op dit gedeelte gekregen hebben: Sara Amsel (1836-1919) (vak C,14), getrouwd met Israel de Wolff (1841-1866) en de ongehuwd gebleven Elisabeth Amsel (1843-1916) (vak C,11). In Oss werden geboren Jacob (1834), Israel (1835) en Sara (1836), in Roermond Salomon (1838), Amalia (1841), Elisabeth (1843), Benjamin (1845), Philip (1847), Helena (1850) en Eva (1856). Enkele kinderen van de echtelieden emigreerden naar Nederlands Indië (Semarang) om aldaar een bestaan op te bouwen. De oudste zoon Jacob Amsel huwde met Jeanne van Rheeden, werd een succesvol expediteur en overleed er in 1875. Een dochter uit dit huwelijk was de in Semarang geboren Eva Amsel (1870-1946). Zij trouwde in 1892 te Brussel met de Roermondenaar Hubert Louis Beltjens (1858-1923). Beiden rusten in het familiegraf Beltjens, vak 569/570, 667-668. (zie: pag. 69)
De familie Amsel-Cohen woonde onder meer aan de Godsweerdersingel 31 te Roermond. Een te Emmerich geboren jongere zus van Alexander Jacob Amsel, Charlotte Amsel (1802-1859), was er eveneens woonachtig. Hanna Cohen de Kadt had vijf broers en zusters waaronder Elisabeth/Bloeme Cohen (1825-1884) (vak C,35) die getrouwd was Hartog Goudsmit (1807-1885). Diens graf (vak C1,1) kwam in 2005 in het nieuws vanwege de grove grafschennis die er op gepleegd werd (zie: pag. 299). Een afstammeling van de familie De Kadt was de onafhankelijk politiek denker, activist, journalist en publicist Jacques de Kadt (1897-1988).

___

Graf van Hanna Amsel-Cohen de Kadt

 

 

Johan Willem Constant Doijer (1829-1908) (Vak B, 45-46). De uit Zwolle afkomstige doopsgezinde Johan Doijer was gehuwd met de in Zutphen geboren Petronella Christina Kromhout (1840-1907). Zij stamde uit een gezin met negen kinderen, waarvan er vier levenloos geboren werden. Van 1858 tot 1872 was Doijer burgemeester van de Overijsselse gemeente Diepenheim (nu Hof van Twente). In 1875 verhuisde hij naar Roermond waar hij ging rentenieren. Hun graf op het protestantse deel van de begraafplaats is met een hekwerk omzoomd en heeft duidelijke ‘art nouveau’ kenmerken.

(Bron: Maurice Heemels/Rob Dückers, Grafstijlen op de Roermondse begraafplaats nabij Kapel in ’t Zand tussen 1870 en 1940, Jaarboek 2015 SHCL) 

 

Frans Emanuel Joseph Dohmen (1885-1933) (Vak 19, 6)

 

De ouders van Frans Dohmen waren Josephus Gerardus Hubertus Dohmen (1839-1889), van beroep kistenmaker en de in Horn geboren Anna Maria Engels (1842-1911). Na het overlijden van haar man runde zij de winkel Dohmen-Engels aan de Schuitenberg 5, naderhand genaamd ‘De Bijenkorf – galanterieën en speelgoederen’. Frans Dohmen, jongste uit het gezin met twaalf kinderen, trad in het huwelijk met de in Gelsenkirchen-Buer (D.) geboren Maria Nizet (1883-1934). Zij is eveneens begraven op het Oude Kerkhof in vak 10, nummer 1. De reden waarom zij niet bij haar echtgenoot rust is niet bekend. Haar ouders waren Anton Hubert Nizet en Maria Hubertina Willems. Beiden zijn bijgezet in de grafkelder Nizet in vak A, 762-765. (zie: pag. 178). In de dertiger jaren dreef het echtpaar Dohmen-Nizet een kaashandel aan de Mauritsstraat. Van origine stamt de familie Dohmen uit de streek Aken-Hertzogenrath (D.). Rond 1730 waren de Bokkenrijders actief in de streek rond Kerkrade, met name Pannesheide-Herzogenrath. Een voorouder van de familie is als lid van deze bende in 1775 ter dood veroordeeld. Rond 1800 vestigde de familie zich vanuit Kerkrade in Roermond.
(Mededeling Ton Dohmen, Roermond)



 

echtpaar Dohmen-Nizet

 

 

Charlotte Henriëtte Helena Döderlein de Win (1863-1913)(Vak B1, 2)
Het geslacht Döderlein de Win is opgenomen in het genealogische naslagwerk Nederland’s Patriciaat. De naam is waarschijnlijk gebaseerd op het samenvoegen van twee oorspronkelijke familienamen.
Charlotte Döderlein de Win was een dochter van de kapitein der Infanterie bij het Oost Indisch Leger, Willem Jacobus Döderlein de Win en Fifina Francina Poland. Charlotte kwam op zee ter wereld op 12 graden 30' zuiderbreedte en 9 graden 30' westerlengte nabij de kust van het eiland Sint-Helena aan boord van de bark (zeilschip met minimaal drie masten) de ‘Johanna Elisabeth’, dat voer van Indië naar Nederland. In 1887 huwde Charlotte te Kampen (Ov.) met de 24 jaar oude, in Soerabaja (Indonesië) geboren Richard Aloysius Ferdinand Botter (1862-1919). Hij was de op één na oudste zoon van de ‘ontvanger der in- en uitvoerrechten’ van Nederlands Indië, Johannes Cornelius Botter (1824-1890) en zijn tweede echtgenote Annette de Sonnaville (1839-1885). Dit echtpaar kreeg twaalf kinderen. Zijn eerste echtgenote Johanna Adriana Kleyn (1825-1859) schonk hem vijf kinderen. In 1887 huwde hij voor de derde maal met Johanna de la Cour. Met uitzondering van de jongste drie kinderen zijn de overige veertien kinderen allen geboren in Nederlands-Indië. Hun voorouders waren aldaar sinds ongeveer 1800 in diverse militaire functies werkzaam. Vanaf 1880 was Richard Botter in Kampen als militair bij een instructiebataljon gelegerd, alwaar hij in 1887 promoveerde tot tweede luitenant en in 1916 luitenant-kolonel der Infanterie werd. Het gezin verhuisde vervolgens naar Melick-Herkenbosch waar Botter, als majoor, in functie trad als commandant van de Landweer.* Zijn vrouw Charlotte Döderlein de Win overleed hier aan tuberculose, 49 jaar oud. Het echtpaar kreeg negen kinderen. Hun oudste zoon Willem (1887-1908), sergeant- instructeur te Venlo, pleegde zelfmoord wegens een onbeantwoorde liefde. De oudste dochter was Francina Johanna Cornelia Botter (1890-1977), die geboren werd in Deventer, te Bloemendaal overleed en in Roermond op de begraafplaats ‘Tussen de Bergen’ begraven werd. Gedurende haar werkzame leven was zij verpleegster. In 1916 huwde zij te Voorburg op 26 jarige leeftijd met de in Den Haag geboren Johannes Hermanus Henkes. Het derde kind, Kornelia Marianna Antonia Botter (1891-1910)(Vak B, 11), werd slechts 18 jaar oud en overleed te Roermond, evenals haar moeder aan TBC. Hetzelfde lot was ook zoon Leonard Jan Theodorus Constant Botter (1893-1916) (Vak B, 7) beschoren. Hij overleed te Melick en werd op het Oude Kerkhof te Roermond begraven. De overige kinderen hebben elders hun laatste rustplaats. Zowel Charlotte Botter-Döderlein de Win, alsook haar kinderen Kornelia en Leonard zijn begraven op het Nederlands-Hervormde gedeelte van de begraafplaats. De uiterlijke kenmerken van hun graven zijn niet meer aanwezig. Na het overlijden van zijn eerste vrouw Charlotte, hertrouwde Richard Botter in 1914 te Melick met de in 1875 te Haarlem geboren Antonia Christina Vogelzang. Beiden verhuisden naar Apeldoorn waar Richard Botter overleed aan de gevolgen van longvliesontsteking en begraven werd op begraafplaats aan de Soerenseweg in voornoemde stad. Zijn tweede echtgenote overleed in 1943 in België.

 

* Landweer was in verschillende landen een reserveleger van vrijwilligers of dienstplichtigen. Deze reservestrijdkrachten moesten vaak om de zoveel jaar op herhalingsoefening. Het doel van een landweer was, naast de reguliere krijgsmacht, indien nodig in korte tijd een groot aantal soldaten te kunnen mobiliseren.


Voorbeeld van een bark (zeilschip) (Wikipedia)


Henricus Hubertus Antonius Dupont (1836-1917) (Vak A, 525)
De ouders van de in Roermond geboren priester Antonius Dupont waren de in 1832 in het huwelijk getreden Hubert Joseph Dupont (* 1812) en Maria Sybilla Heijnen (* 1806).
Hij was het derde kind van in totaal zes zonen en dochters. Gedurende 32 jaar was hij hoogleraar aan de universiteit te Leuven en doctor in de theologie en filosofie.
Bovendien was hij ere kanunnik in het Kapittel van de Sint Paulus kathedraal te Luik en ridder der Leopoldsorde. Antonius Dupont overleed te Roermond en werd er op 14 juni 1917 begraven.
Zijn nog bestaande tombe is voorzien van het symbool van een miskelk of calix ten teken dat het een rooms-katholiek priester betreft.



Onderschrift foto: Henricus Hubertus Antonius Dupont (Fotocollectie GAR)

 

Alphonsius Gerardus Engels (1932-1933)(Vak 15, 28)

Alphons Engels was tien maanden oud toen hij overleed.  Zijn ouders waren de metaalbewerker Godefridus Engels en Maria Anna Elisabeth Bänziger. Curieus te noemen is het uiterlijk kenmerk van zijn grafje dat bestaat uit een restant van een gootsteen, in de volksmond ‘pompesjtein’ genoemd.

(Mededeling de heer Engels, broer van de overledene).

 

 

Godefridus Hubertus Erdkamp (1843-1925) (Vak 3a, 55)
Uit het huwelijk tussen de hovenier Joannes Petrus Erdkamp (1799-1866) en Marguerita Elisabeth Klerx (1808-1877) werden zes dochters en vier zonen geboren waaronder Godefridus Erdkamp. In 1867 trouwde hij met de uit Melick afkomstige Anna Gertrudis Hövelings (1843-1928). Zij was een dochter van landbouwer Jan Willem Hövelings en Anna Maria Moors. Toen Anna 14 jaar oud was hertrouwde haar moeder met de eveneens in Melick geboren Jan Leopold Maessen († 1883), een weduwnaar met vier kinderen. Anna, haar moeder, broertje en zusje verhuisden toen van Melick naar Roermond. Het echtpaar Erdkamp-Hövelings woonde aan de Maria Gardestraat (huidig nummer 96) alwaar ze een kleine stadsboerderij hadden met een koe, varken en konijnen voor eigen gebruik en een grote tuin waar ze zaden, kruiden en groenten kweekten om te verkopen. Anna Erdkamp-Hövelings was zeer begaan met het lot van armen en zieken. Nooit deed men tevergeefs een beroep op haar liefdadigheid. In de stad stond ze bekend vanwege haar zalf tegen brand- en schaafwonden. Zij werd begraven in vak 4b, nummer 7. Uiterlijke kenmerken van haar laatste rustplaats zijn niet meer aanwezig. De grafsteen met redelijk leesbaar opschrift op het graf van Godefridus Erdkamp is echter nog aanwezig. Uit het huwelijk tussen Godefridus Erdkamp en Anna Hövelings werden twaalf kinderen geboren. Enkele dochters zijn in het klooster getreden. Dochter Anna Maria Hubertina Erdkamp (*1868) trouwde in 1891 met de landbouwer Petrus Hubertus Allers (1869-1960) (vak 1b, 32). Dochter Maria Hubertina Erdkamp (1871-1913) lag begraven in vak 5, nummer 41. Haar graf is geruimd. Haar echtgenoot, de schoenmaker Hendrikus Hubertus Reijners (1851-1925), eerder gehuwd geweest met Gertrudis Wegels, rust in vak 1b, nummer 16. Dochter Anna Maria Erdkamp wordt elders beschreven (Zie: Godefriedus Ramakers)

 

Familie Erdkamp -Hövelings, geheel rechts Anna Maria Erdkamp (zie: Godefriedus Ramakers)



Nicolas François André Etienne (1864-1927)(Vak 2a, 17)

Nicolas Etienne werd op 30 november 1864 te Luik (B.) geboren als zoon van François Henri Joseph Etienne en Anna Josephina Elisabeth Lamboitie.

Hij was scheikundige van beroep (op zijn grafsteen staat vermeld ‘docteur en science’) en gehuwd met de uit  Antwerpen, Hemixem (B.) afkomstige Henrica Francisca Mahieu. Het echtpaar woonde aan de Godsweerdersingel 48. Hun oudste dochter werd in 1893 eveneens te Antwerpen geboren. Op 5 december 1900 werd in Roermond een dochtertje geboren dat diezelfde dag naamloos overleed. Een derde dochter kwam in 1901 ter wereld.

(Met dank aan Ruud Lamboo Louwarts, Roermond)

 

 

Antonius Michiel (Toon) Everts (1895-1944) (Vak 22, 1)

Toon Everts werd geboren in Herten-Ool als zoon van Peter Everts en Eva Schreurs. Hij bleef ongehuwd en woonde aan de Molenweg 58a te Roermond.

Van beroep was hij voerman, eerst bij het transportbedrijf Helwegen en later bij de firma Van Esser aan ’t Steel in de Voorstad. Bij een beschieting door de Engelsen in december 1944 werd hij op het terrein van Van Esser door een granaatscherf ernstig gewond. Per paard en kar werd hij naar het ziekenhuis gebracht, waar hij op 16 december, 49 jaar oud, aan zijn verwondingen overleed. De tekst op het authentieke gietijzeren kruis is niet meer leesbaar.

 

  

Hendrikus Hubertus (Harry) Geerlings (1928-2015) (Vak 8, 5)

De schoenmaker Harry Geerlings werd in Posterholt geboren als kind van Andreas Geerlings en Gertrudis Jeuris. Het gezin telde tien kinderen, acht meisjes en twee jongens. Na de oorlog ging Harry op 17 jarige leeftijd in de leer bij schoenmaker Kleef te Posterholt.  Hij bezocht hiervoor de vakschool in Venlo. Als toekomstig schoenhersteller is hij bij diverse leermeesters (o.a, de gebroeders Claessen aan de Herkenbosscherweg ) in de leer geweest. In 1953 behaalde hij zijn schoenmakersdiploma te Maastricht. Begin jaren vijftig speelde Harry als accordeonist in een band. Na drie jaar in Posterholt zelfstandig gewerkt te hebben, verhuisde hij naar Roermond om gehuurd aan de Herkenbosscherweg 7 zijn bedrijf voort te zetten. In 1960 trad hij in het huwelijk met Mathilda Josephina Hubertina (Tilly) Vaessen uit Gulpen. Uiteindelijk  kocht hij het huis in dezelfde straat op nummer 46 waar hij tot aan zijn overlijden in 2015 als 87- jarige het schoenmakers vak uitoefende. In 1967 legde hij  in Utrecht met goed gevolg het examen eigenaar schoenwinkel af. Harry Geerlings werd in 1995 vanwege het feit dat hij vijftig jaar in het vak zat en vanwege zijn vrijwilligerswerk onderscheiden met de Eremedaille in Zilver, verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau. In 2003 werd aan hem in de wijk ‘Kapel in ’t Zand’ het  ‘Zandjmenke’ uitgereikt, een jaarlijks uit te reiken onderscheiding voor iemand die zich als vrijwilliger bijzonder inzet voor de plaatselijke gemeenschap. In 2014 vierde Harry Geerlings zijn 70-jarig jubileum als schoenmaker.

(Mededeling Leon Geerlings en Nicole Tellings-Geerlings, Roermond)

Foto: John Peters

 

 

Harry Geerlings

 

 

Graven van Belgische en Franse vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verklaarden België en Nederland zich neutraal. De Duitsers vielen België op 4 augustus 1914 binnen, om zo naar Frankrijk te trekken. Direct na de inval kwam er een grote vluchtelingenstroom op gang. Uiteindelijk vluchtten meer dan een miljoen Belgen vanwege het oorlogsgeweld naar Nederland. De Nederlandse regering realiseerde bewaakte opvangkampen. Met name in de jaren 1914 en 1915 belandden voornamelijk Vlamingen, nauwelijks Walen in Roermond,. De weg van Noord Frankrijk naar Roermond werd door Franse vluchtelingen vaak te voet afgelegd. Om de enorme hoeveelheid vluchtelingen in te dammen liet het Duitse leger in 1915 een circa 200 kilometer lang stroomhek aanleggen langs de grens van België met Nederland. Tot aan het eind van de oorlog was de onder hoogspanning staande draadversperring in werking. Geschat wordt dat tussen de 500 en 3000 mensen, waaronder Belgische vluchtelingen, er door zijn omgekomen. Onder de vluchtelingen bevonden zich ook veel militairen. Dit waren voor het overgrote deel Belgen, maar ook Engelsen en Duitsers. Deze militaire vluchtelingen werden later ondergebracht in interneringskampen. In het jaar 1918 zijn diverse vluchtelingen uit België en Frankrijk aan uitputting, ondervoeding en mogelijk aan de gevolgen van de heersende Spaanse griep in Roermond overleden en begraven. Vluchtelingen die  in de maanden oktober en november 1918 in de stad stierven, waren onder anderen Laure Mercier uit Douai (vak 21, graf 15, kindergrafveld), Simone Silvert uit Aniche (vak 21, graf 16 kindergrafveld),  Octavie Roselle Foulet (vak 17, graf 19), Lambertine Donckier (vak 18, graf 54), Celinie Bultez uit Waziers bij Douai (vak 17, graf 49), Alfred Hénoeg uit Auberchicourt (vak 17, vak 15), Auguste Martin uit Cuincy bij Douai (vak 17, graf 16), Joanna Cornil uit Brussel (vak 18, graf 9), Jean Baptist François uit Esquerchin  (vak 18, graf 55), Victorine François (vak 17, graf 22) uit Auberchicourt  en Pierre Leriche uit Bray (vak 17, graf 23). Achttien in Roermond geïnterneerde Belgen zijn door ouderdom of ernstige ziekten tijdens deze oorlog gestorven. Voor zover bekend zijn ze niet overleden aan de gevolgen van oorlogsverwondingen of slechte behandeling. Onder hen ook de op pagina 191 in het boek beschreven onderofficier Ferdinand Vilain. In de gehele provincie Limburg zijn tussen 1914 en 1918 in totaal 656 Belgen een natuurlijke dood gestorven. De meeste vluchtelingen keerden uiteindelijk na de wapenstilstand weer terug naar België.  Alle hier  genoemde graven op het Oude Kerkhof  zijn niet meer als zodanig herkenbaar. De laatste rustplaatsen in de vakken 18 en 19 zijn mogelijk geruimd en ingenomen door overledenen uit de periode 1940-1945.

(Bron: Hein van der Bruggen, Spiegel van Roermond 2016, Nabij de Grote Oorlog/Roermond tussen 1914 en 1918)




Jacoba Louisa (Wiesje) van Haastert (1825-1873) (Vak A, 548)
In 1850 vond te Semarang het huwelijk plaats tussen de uit Oldenzaal afkomstige Twentse onderwijzer Carel Frederic Sloot (1826-1883) en de in Indië geboren Jacoba Louisa (Wiesje) van Haastert. Carel Sloot vertrok, na het verkrijgen van diverse onderwijsakten, op achttienjarige leeftijd naar Indië en werd benoemd tot hoofdonderwijzer te Grissée op Oost Java. Het echtpaar kreeg drie kinderen, Maria (1853), die later onder het pseudoniem ‘Melati van Java’ een bekend schrijfster zou worden*, Chrisje (1858) en Nico (1861). Het milieu waarin het gezin Sloot in Semarang en Batavia opgroeide verschilde in menig opzicht van dat in Nederland. Moeder Wiesje gaf haar kinderen niet enkel les in de vakken van de lagere school, maar ook in de Franse, Duitse en Engelse taal. Toen ze achttien was behaalde ze reeds haar akten voor bekwaamheid in deze talen. Bovendien was zij een voortreffelijk pianiste en zangeres. In 1871 repatrieerde het gezin Sloot naar Nederland, met name Den Haag. Alleen Carel Sloot, toen 45 jaar, was met Nederland bekend toen hij het land 27 jaar geleden verliet. Kort daarop werd hij door het Departement benoemd tot arrondissementsschoolopziener in Limburg met als standplaats Roermond. Het gezin Sloot nam haar intrek in het hoekhuis, gelegen aan de linkerzijde van het Stationsplein, komende vanuit het station. Rond die tijd verliet ook Susanne Charlotte Clarenbach met haar twee dochters ‘den Oost’ en ging via Tegelen wonen aan de Veldstraat in Roermond. Na haar overlijden in 1873 werd Carel Frederic Sloot, die een goede vriend was van de vader van Jan Prosper Schoemaker, benoemd tot toeziend voogd.** Eveneens in1873 overleed zijn echtgenote Wiesje van Haastert, 48 jaar oud, aan de gevolgen van een longontsteking. De klimatologische omstandigheden in Nederland werden haar fataal. Zij werd begraven naast Susanne Charlotte Clarenbach in een graf met een opvallend opstaand grafmonument (zie: foto grafbeschrijving Clarenbach)
Nauwelijks een jaar later trad Carel Sloot in het huwelijk met Theodora Schaepmans uit zijn geboorteplaats Oldenzaal. In 1881 werd hem eervol ontslag verleend als inspecteur bij het onderwijs en verhuisde het gezin van Roermond naar Amsterdam alwaar hij in 1883 overleed en werd begraven.


Bronnen: www.melati.damescompartiment.nl /www.kortenhorst.info/stamboom.nl


* Nicolina Maria Christina Sloot (1853-1927) was de oudste dochter van het echtpaar Sloot-Van Haastert. Na haar repatriëring kwam ze met haar ouders, broer, zus en andere familieleden via Den Haag naar Roermond. Hier begon Marie Sloot, zoals haar roepnaam was, haar literaire loopbaan onder het pseudoniem Melati van Java. Omdat het destijds voor een katholiek jong meisje uitzonderlijk was te publiceren, koos zij voor een schuilnaam. Melati verwijst naar een wit, stervormig bloempje, een zoet ruikende geurige jasmijn die op Java bloeit. Melati ontwikkelde zich in de loop der jaren tot een uiterst succesvol auteur. Haar romans waren zeer populair; in 1921 was Hermelijn het vaakst uitgeleende bibliotheekboek. Eerder kwam er letterkundige erkenning: zij was een van de eerste vrouwen die het lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde kreeg aangeboden (1893). In Melati's vriendenkring bevonden zich onder anderen de schilder Jan Toorop en de letterkundige Alberdingk Thijm. Aan het begin van de 20ste eeuw verdween geleidelijk de literaire waardering. Haar romans werden te gedateerd bevonden. Melati van Java besloot tot een opmerkelijke actie. Onder het pseudoniem M.(ax) van Ravenstein publiceerde zij vervolgens vijf geruchtmakende romans. Niemand kende deze vreemde auteursnaam en het gonsde van de geruchten. In 1954 wist Anton van Duinkerken in De Tijd te onthullen wie achter deze naam schuil ging. Melati van Java overleed in een hotel te Noordwijk aan Zee, op 13 juni 1927. Zij bleef ongehuwd, werd 73 jaar en liet een oeuvre achter van tientallen boeken en een ontelbaar aantal artikelen. Haar volledige bibliografie is te vinden op de site www.melati.damescompartiment.nl.


** (Zie: Publicaties/Aanvulling: Susanne Charlotte Clarenbach (1834-1873)(Vak A, 550),




 

 

Heinz Hahn (1936-2013) (Vak 17, 22)
De in het Duitse Rheydt (Mönchengladbach) geboren Heinz Hahn werkte vanaf zijn achttiende jaar in de mijnbouw. Ruim 22 jaar was hij als houwer werkzaam in de Sophia Jacoba steenkolenmijn te Hückelhoven (Kreis Heinsberg), die in 1997 gesloten werd. In 1959 leerde hij zijn vrouw Tiny Fonteijn (1936-2016) kennen met wie hij bijna 54 jaar lief en leed gedeeld heeft. Tiny Fonteijn is een zus van oorlogsslachtoffer Mathieu Fonteijn die op de dag van de bevrijding van Roermond, 1 maart 1945, door een explosie van een landmijn, het leven verloor (zie: pagina 36). Het echtpaar Hahn-Fonteijn kreeg vier kinderen. Na eerder in de Javastraat en in de Celebesstraat gewoond te hebben verhuisde het gezin in 1974 naar de Muggenbroekerlaan en woonde het echtpaar vervolgens sinds 1999 aan de gelijknamige laan in het seniorencomplex ‘Ingesande’ aan de Kapel in ‘t Zand. Heinz Hahn, die een zeer speciale band met zijn kleinkinderen had, was jeugdleider bij de voetbalvereniging EMS te Roermond. In 1999 werd hij ernstig ziek (longkanker en hartfalen). Gedurende dertien jaar werd hij liefdevol door zijn familie verzorgd tot zijn toch nog onverwacht overlijden in 2013.
(Met dank aan Gerard Hahn & Tiny Hahn–Fonteijn , Roermond)

Heinz Hahn (1936-2013)

 

Renier Gerardus Joseph (René) Heldens (1926-2015) (Vak 4a, 31)

Het door René Heldens, sinds 1971 gehuwd met Ria Brabander, zelf gebouwde woonhuis aan de Herkenbosscherweg 7a, wordt van ‘den Aje Kirkhaof’ gescheiden door de oude westmuur. Niet verwonderlijk dat hij op deze begraafplaats in de wijk ‘Kapel in ’t Zand’ zijn laatste rustplaats gekregen heeft. Als kind hielp hij zijn ouders regelmatig bij werkzaamheden op hun boerderij. Na het bezoeken van de lagere school was hij enkele jaren als timmerman en bakker werkzaam aan de Kapellerlaan. In 1947 werd hij, zoals zo vele oorlogsveteranen in de overtuiging aldaar de orde en vrede te kunnen  herstellen, door de regering  naar Nederlands Indië gestuurd om de door dat land verlangde onafhankelijkheid te bestrijden. Als hij in 1950 terugkeert gaat hij in de bouw werken, behaalt diverse beroeps gebonden diploma’s en wordt vervolgens technisch hoofdambtenaar bij de afdeling Bouw-en Woning toezicht van de gemeente Born. René Heldens had ook bestuurlijke kwaliteiten. Hij was lid van het bestuur van de St. Alphonsusschool, de kerkgemeenschap ‘Kapel in ’t Zand’, de fanfare ‘Onze Lieve Vrouw in ’t Zand’ en de St. Theresia-Put, waarvan het kapelletje zich op de splitsing van de Herkenbosscherweg/Weg langs het Kerkhof, bevindt. Voor zijn vele  verdiensten werd hij in 1992 onderscheiden met de Eremedaille in Goud verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau.

(Mededeling Ria Heldens-Brabander, Roermond)

 

 

René Heldens

 

Moses Hertog (1817-1889) (Vak C,40)
De in Meersen geboren paardenkoopman Moses Hertog, zoon van Moses Hertog en Mina Kronenberg, was omstreeks 1844 getrouwd met de in Bracht (D.) geboren Rosa Haas (1815-1903). Zij rust in vak C,62. Na gewoond te hebben in Susteren en Maasbree verhuisden het gezin naar Linne. Het echtpaar kreeg twaalf kinderen. Eén van hun zonen, Alexander Hertog (1853-1871), overleed op achttienjarige leeftijd te Linne en zou begraven zijn op de nieuwe joodse begraafplaats te Roermond.* Voor vader Moses Hertog was de begrafenis van zijn zoon aldaar destijds aanleiding bij Gedeputeerde Staten een verzoek in te dienen om een joodse begraafplaats in Linne te doen realiseren, te meer daar de gemeente Roermond na 1871 verbood joodse overledenen van buiten de gemeente te begraven op het joodse gedeelte van wat nu het Oude Kerkhof wordt genoemd. Met het vertrek van het gezin Hertog in 1888 naar Roermond komt er een einde aan de aanwezigheid van de joodse gemeenschap in Linne. Een andere zoon was Leopold Hertog (1857-1887), evenals zijn vader paardenkoopman. Hij overleed op 30 jarige leeftijd te Den Bosch en was gehuwd met de in Kamen (NRW, D.) geboren Adelheid Selig (1852-1929 (Vak C,30) die hem drie kinderen schonk (Nathan, Herman en Rosalia).

*In haar beschrijving over joodse begraafplaatsen in Limburg, ‘Stilte en lofzang’, joodse begraafplaatsen en grafstenen in Limburg, door docent Hebreeuws, Adrie Drint (1959-2016) komt zijn laatste rustplaats aldaar echter niet voor.
(Joodse Genealogie Databank, Sittard, Limburg & Euregio)

Leonardus Adrianus (Leo) Hoogenstraaten (1812-1893) (Vak A, 696)

De familie Hoogenstraaten is oorspronkelijk afkomstig uit Leiden. Ook Leo Hoogenstraaten werd er geboren. Zijn ouders waren de slager Jean Hoogenstraaten (1783-1856) en Marie Jeanne Geerloff (1782-1858). Leo was de jongste van de zes kinderen uit dit huwelijk. In 1843 vertrok hij naar Nederlands Indië en werd er administrateur bij de tinmijnen in Soengieslang en Marawang op het eiland Banka. In 1853 werd uit een relatie met een Indische zijn dochter Adriana geboren die in 1860 een kostschool in Roermond bezocht. In 1878 keerde zij terug naar Sumatra om er als onderwijzeres aan de slag te gaan. Zij overleed in 1917 te Den Haag en ligt begraven op de rooms-katholieke begraafplaats St. Petrus Banden.

In 1857 huwde Leo Hoogenstraaten, te Soerabaya de uit Gorkum afkomstige Arnolda Brouwer (1827-1904), voor wie dit haar tweede huwelijk was. Zij overleed te Maastricht, maar heeft bij haar echtgenoot in Roermond haar laatste rustplaats gekregen. Na terugkeer uit Indïe vestigde het echtpaar zich met de twee kinderen uit het eerste huwelijk van Arnolda met de Belg Jean François Schoemaker, Jan Prosper Schoemaker en Johanna Maria Schoemaker, in Tegelen alwaar twee kinderen geboren zouden worden. Na in Leiden gewoond te hebben, waar nog twee kinderen het levenslicht zagen verhuisde het gezin  naar Roermond en woonde achtereenvolgens in de Veldstraat en ‘Achter de Meelwaag’ , de huidige Christoffelstraat. Hier kwam tenslotte in 1871 zoon Christianus Lodevicus Jacobus Hoogenstraaten ter wereld, die begin twintigste eeuw Jugendstil architect in Maastricht zou worden.

Een oudere broer van Leo Hoogenstraaten was Jan Hendrik Hoogenstraaten (1804-1859). Hij was getrouwd met Catharina Paddenburg (1807-1874). Een zoon uit dit huwelijk was Johannes Wilhelmus Minius Hoogenstraaten (1842-1926), in 1868 gehuwd met Elisabeth Asbrede (1845-1906). Uit dit huwelijk werd onder meer Hendricus Marie Antonius Hoogenstraaten (1882-1967) geboren, die in 1906 in het huwelijk zou treden met Josephina Johanna Wilhelmina Willemse (1882-1946). Zij waren onder meer de ouders  van Everardus Johannes (Eep) Hoogenstraaten(1910-1981). Hij werd te Leiden geboren, was hoofdredacteur van het dagblad de ‘Maas en Roerbode’, werd benoemd tot Ridder van Oranje Nassau en overleed te Roermond.

(Met dank aan: Frans Hoogenstraaten, Roermond)

 

 

Johannes van Houtum (1872-1940) (Vak B,10)
In 1897 trad de in Arnhem Johannes van Houtum voor de eerste maal in het huwelijk met Arine Wilhelmina van der Meer (1869-1918), afkomstig uit Rotterdam (Hilligersberg). De uiterlijke kenmerken van haar graf in vak B,12 op het Nederlands Hervormde geborengedeelte zijn als zodanig niet meer herkenbaar. Jan van Houtum was firmant van Papierfabriek Johannes van Houtum te Coldenhove-Eerbeek. Zijn middelste zoon, Pieter van der Meer van Houtum (1900-1978), werd er eveneens papiermaker. Reeds vanaf 1661 werd hier papier geproduceerd. In 1914 werd Jan van Houtum directeur van de papierfabriek in Maasniel (Gebroek). De twee andere zonen Henk (*1898) en Jan (*1903) van Houtum waren in 1935 de oprichters van de papierfabriek Van Houtum B.V., gevestigd in Swalmen Het bedrijf produceert onder de merknaam Satino voornamelijk hygiënisch en sanitair papier. Voor de tweede maal huwde Jan van Houtum in 1920 de eveneens uit Rotterdam afkomstige Maria Elisabeth Atkins (1890-1937). Haar graf in vak B,4 ligt in de onmiddellijke nabijheid van het graf van haar echtgenoot. Ook voor haar was dit het tweede huwelijk. In 1913 trouwde ze eerst met Lucas Maks, die twee jaar later in Apeldoorn zou overlijden. Uit deze verbintenis werd dochter Meta geboren. Na zijn overlijden verhuisde Elisabeth met haar dochter naar haar schoonouders in Aerdenhout. Vervolgens vertrok zij met haar kind naar Roermond-Maasniel. Meta Maks huwde de in Amsterdam wonende Dick Schmidt en kreeg twee kinderen: in 1940 de naar zijn grootvader genoemde Lucas en in 1942 dochter Hilda.
(Met dank aan Henk van Houtum, St. Odiliënberg-Lerop)

 

Antonius Hubertus (Bär) Janssen (1918-1948) (Vak 18, 35)

Taxiondernemer Bär Janssen raakte in een flauwe bocht bij Reuver door onopgehelderde oorzaak op maandag 5 april 1948 met zijn taxi van de weg en botste tegen een boom. Drie inzittenden van de auto raakten daarbij gewond en werden overgebracht naar het ziekenhuis. Eén van hen, Jan Lenaerts, was zeer ernstig gewond en overleed de volgende dag. Jan Cober, café eigenaar aan het Stationsplein raakte lichtgewond. Bob Kutschrutter daarentegen heeft enige tijd in coma gelegen, maar kon na vier maanden het ziekenhuis verlaten. De dertigjarige bestuurder Bär Janssen uit Roermond overleed echter ter plaatse aan de gevolgen van het ongeluk. De ouders van Bär Janssen waren de in Aarschot (B.) geboren bierbottelaar Petrus Joseph Janssen (1881-1938) en Elisabeth Hubertina Guenne. Hij rust in vak 19, nummer 5. Het graf van zijn in 1964 overleden echtgenote op de begraafplaats Tussen de Bergen is inmiddels geruimd.

(Met dank aan Harry Vrancken, Sweikhuizen en Coen In ’t Panhuis, Roermond)

 

 

Bär Janssen

 

 

Dominicus Theodorus (Thei) Janssen (1855-1934) (Vak 14, 26)

De voorouders van Thei Janssen waren afkomstig uit Kaldenkirchen (D.). Hij werd geboren uit het tweede huwelijk van zijn vader Johann Wilhelm Janssen (1821-1864), bandwever van beroep, met de in 1823 te Weert geboren Anna Gertruda Kneepkens. Rond 1870 verliet hij  zijn geboorteplaats Weert en vertrok naar Roermond, alwaar hij gewoond heeft in de Voorstad St. Jacob en aan de Steenweg. Uiteindelijk is hij ingetrokken bij de familie Schoenmakers aan de Markt, leerde daar als gezel het vak schrijnwerker en huwde in 1882 hun dochter Maria Frederika Hubertina Schoenmakers (1856-1939). Mogelijk is hij het vak later zelfstandig gaan uitoefenen. Het echtpaar kreeg zeven kinderen. Na het overlijden van zijn echtgenote is Thei Janssen, die oorspronkelijk begraven lag in vak 9, nr. 14, bij haar herbegraven.

(Mededeling Sjef Janssen, Almelo)

 

 

Gail Maureen Kaplan (1958 - 2003) (Vak C 2, 13)

De Zuid-Afrikaanse Gail Kaplan werd in Johannesburg geboren. Zij was een kleindochter van moederskant van Hyman Libermann, van 1903 tot 1907 de eerste joodse burgemeester van Kaapstad. In 1991ontmoette zij op het strand van Kaapstad technisch tekenaar Henk Hendriks uit Roermond, die in Zuid-Afrika op vakantie was. Ze raakten bevriend en besloten uiteindelijk samen naar Nederland te verhuizen. Gail was gescheiden en had een zoon, Ryan, uit dit eerdere huwelijk. Tijdens een afscheidsdiner voor vrienden in Eindhoven die Nederland gingen verlaten werd zij onwel, raakte in coma en is per ambulance naar een ziekenhuis vervoerd. Twee dagen later is zij overleden. Op 13 maart 2003 is Gail op de nieuwe joodse begraafplaats, 44 jaar oud, volgens de joodse traditie begraven. De tekst op de grafsteen luidt:

‘In memory of Gail Maureen Kaplan

A woman so full of life

She will be deeply missed by us all

Her family and many friends

She brought warmth and joy into our hearts’

(Mededeling Henk Hendriks, Roermond)  

 

 

 

Graf Gail Kaplan

 

Joseph Koch (1870-1917)(Vak 12, 38)
De instrumentmaker, later opticien Jos Koch werd in 1870 te Maastricht geboren. Zijn ouders waren Joseph Koch en Gertruda Bohlen. Hij was gehuwd met de eveneens uit Maastricht afkomstige Maria Elisa Isabella Coenegracht (1871-1954). Vanaf 1897 waren beiden woonachtig aan de Hamstraat 8, naderhand nummer 44, het pand waarin momenteel schoenenzaak Rulkens in gevestigd is. Er werden twee kinderen geboren: Jo Koch, die zou trouwen met Marie Bell en evenals zijn vader opticien zou worden en Mathieu Koch, de befaamde ‘photograph d’art, gehuwd met Josephine Schulte. Beide broers bewoonden het pand Munsterplein 23, rechts de opticien en links de fotograaf. Jos Koch overleed op 47-jarige leeftijd. Zijn echtgenote werd 83 jaar. De tekst op de grafsteen is moeilijk leesbaar, maar het monument verkeert nog in goede staat.

 

 

 

Jozef Gerard (Jo) Koenen (1930-1945) (Vak 1b,13)

Op 18 juli 1945 kwam de in Linne geboren Jo Koenen in het voormalige buurtschap Heide spelenderwijs in contact met een projectiel (mogelijk een overblijfsel van een ontplofte munitietrein) dat explodeerde. Zwaar gewond werd hij naar het St. Laurentiusziekenhuis gebracht, waar vastgesteld werd dat hij  beide handen zou moeten missen. Dezelfde dag nog om 18.00 uur overleed hij aan zijn verwondingen. Jo Koenen was een zoon van de belastingambtenaar Wilhelm Koenen en Maria Willems wonende aan de Heinsbergerweg 155. In 2014 zijn de uiterlijke kenmerken van zijn laatste rustplaats opnieuw aangebracht.

(Met dank aan Léon Gilissen, Roermond)

 

 

Graf Jo Koenen

 

 

Thomas Hubert Korn (1894-1933) (Vak D, 22)
In de uiterste hoek naast het lijkenhuisje op het ‘Verlaore Kirkhaof’ bevindt zich de laatste rustplaats van de in Venlo geboren Thomas Hubert Korn. Hij was van beroep winkelier, na eerst steenbakker te zijn geweest. In 1915 trouwde hij op 20 jarige leeftijd met de 17 jarige Amsterdamse Johanna Schinkel, waarvan hij in 1925 scheidde. Zijn tweede huwelijk was in 1926 met de negen jaar oudere, uit het Poolse Koronowo afkomstige, huishoudster Marianna Waytalenricz, die eerder gehuwd was met Franz Delatowski. Thomas Korn overleed op 2 februari 1933 ten gevolge van een noodlottig ongeval te Swalmen. Hij was rijdende per fiets met hulpmotor op de rijksweg Roermond-Venlo door onbekende oorzaak ten val gekomen waarbij zijn hoofd de stoeprand raakte en hij in bewusteloze toestand met ernstig hersenletsel naar het ziekenhuis te Roermond gebracht werd alwaar hij diezelfde dag overleed. Op 4 februari werd Thomas Korn begraven op het ‘tot geener Kerkgenootschap behoorende’ gedeelte van de begraafplaats. (zie: pag. 305)
.

 

Françoise Könings (1920-1921) (Vak 15, 49)

Françoise Könings was een dochtertje van de in Antwerpen geboren ambtenaar bij de Nederlandse Spoorwegen Arthur Nicolaus Josephus Könings en  de Roermondse Maria Helena Elisabeth Christina Zeegers  Zij overleed op 3 januari 1921 in de leeftijd van 8 1/2 maand. De grootouders van Françoise waren de in 1845 geboren en in 1879 gehuwde Peter Zeegers uit Posterholt en Maria Knoops (Vak 3b, 9) wonende in Maasniel. Zij werd geboren in 1849 en overleed 76 jaar oud, op 9 december 1925. Haar ouders waren Peter Knoops  1817-1889) geboren te Stevensweert en de uit Maasniel afkomstige Johanna Wulms (1814-1886), beiden landbouwers.

(Mededeling  mevrouw Ramaker, Amsterdam).

 


Hendrik Hubert Joseph (Henri) Lemmens (1857-1941)(Vak 12,44)
Familiegraf Lemmens (Vak A, 193/194)
Henri Lemmens werd geboren te Beek (L.) en was een nazaat van de omvangrijke familie Lemmens-Lemmens uit het Zuid-Limburgse Schimmert. Hij was een volle neef van bisschop Guillaume Lemmens (1884-1960),(zie pag. 153). Zijn ouders, Jan Herman Lemmens (1825-1884),vermoedelijk begraven te Herten en Anna Maria Hubertina Lemmens-Van de Venne (1832-1920) verhuisden van Schimmert naar Herten, alwaar zij aan de Schoolstraat de uitbaters waren van een herberg annex bakkerij. Hermanus Lemmens was tevens gemeenteraadslid, aannemer en taxateur bij de belastingen. Na het overlijden van zijn vader vestigde zoon Henri Lemmens zich in het pand op de hoek Kapellerlaan/Parklaan in Roermond alwaar hij samen met zijn echtgenote, de in Antwerpen geboren, Maria Theresia Lemmens-Van Dijck (1861-1916) een hotel exploiteerde. Ook voerde hij timmer- en bouwwerkzaamheden uit onder meer met het realiseren van woningen aan de Kapellerlaan, in Voorstad Sint Jacob en Herten. Hij was een gelovig man en lid van de Aartsbroederschap der Heilige Familie (zie ook pag. 334, noot 248) . Bovendien was hij maatschappelijk actief, met name voor de Kapelse leefgemeenschap, onder andere als bestuurslid van de fanfare ‘O.L. Vrouw in ’t Zand’ en was hij lid van de vrijwillige brandweer.
Zijn schoonmoeder was de uit Arendonk (provincie Antwerpen) afkomstige Joanna Maria van Dijck-De Jong (1825–1904), die na het overlijden van haar echtgenoot Petrus Felix van Dijck, bij haar dochter en schoonzoon in Roermond kwam wonen en uiteindelijk eveneens haar laatste rustplaats in het familiegraf gekregen heeft . Eerder was zij begraven in vak 8, nummer 70 en is ooit overgebracht naar het huidige graf. Eén van de zonen van het echtpaar Lemmens-Van Dijck, Albertus Joannes Gerardus Cornelius (Albert) Lemmens (1896-1931) zette na het overlijden van zijn vader samen met zijn broer Henri het aannemersbedrijf voort. De twee dochters uit dit huwelijk waren Philomena en Mathilda.* Evenals zijn vader was Albert Lemmens lid van de Roermondse brandweer. Van een wandeling om een brief te posten op de Kapellerlaan keerde hij niet meer terug. Ongeveer zes weken later, op 8 november omstreeks 22.30 uur, werd zijn stoffelijk overschot door vissers gevonden bij ‘Het Steel’ in de Roer. Hij bleek te zijn verdronken. Tengevolge van dit drama is zijn weduwe Elizabeth Hendrika Petronella Lemmens -Bannenberg met het jonge gezin Lemmens teruggekeerd naar Den Haag waar zij oorspronkelijk vandaan kwam. Het familiegraf bestaat uit een grafveld met daarop twee afzonderlijke grafmonumenten, waarbij een ervan op de achterzijde een graftegel toont met de naam Albert Lemmens. De reden dat Henri Lemmens in 1941 niet in het familiegraf begraven is, is mogelijk toe te schrijven aan het feit dat het graf ‘vol’ was en de familie in oorlogstijd gekozen heeft voor een huurgraf in vak 12.

*Mathilda Janssens-Lemmens was de moeder van de in 2011 na een ongeval overleden redemptorist en rector van de communiteit ‘Kapel in ’t Zand’, Gerardus Henricus Albertus (Gé) Janssens.

Met dank aan Henri Lemmens, Herten

_____________

Joanna Maria van Dijck-De Jong__________Anna Maria Hubertina Lemmens-Van de Venne

(1825–1904)__________________________________(1832-1920)

 

______________

Maria Theresia Lemmens-Van Dijck _________Albertus Joannes Gerardus Cornelius (Albert) Lemmens
(1861-1916)___________________________________(1896-1931)

 

_________

Hendrik Hubert Joseph (Henri) Lemmens _________________________Hotel Lemmens-van Dijck
(1857-1941)________________________________________________(hoek Kapellerlaan/Parklaan)

 

Hubertus Jozef Lutgens (1918 -1956) (Vak 13, 32)
Op 9 april 1956 vraagt Jac. Lutgens-Verstappen, vader van Hubert Lutgens, getrouwd met Elisabeth Weber (1917-2007), overleden te Venlo, vergunning aan voor het plaatsen van een steen op het graf van de overledene. Het ontwerp ervan werd echter door de Schoonheidscommissie afgekeurd. Daarop is op 15 mei een schrijven bij de gemeente binnengekomen van de maker van de grafsteen, de terrazzowerker J. Henderickx, Burg. Gerardstraat 19, met de mededeling dat de steen reeds vervaardigd was en dat de afkeuring ervan een zware financiële slag voor hem betekent (zie: pag. 33 en 61). Hij benadrukt dat door te wijzen op het feit dat in zijn gezin twee kinderen met tuberculose al drie jaar bedlegerig zijn en een dochter van 21 jaar reeds vier weken in het ziekenhuis verblijft, lijdend aan ‘vallende ziekte’. Klaarblijkelijk heeft het schrijven van de brief succes gehad want op 31 mei besluiten het College van Burgemeester en Wethouders toch de gevraagde vergunning te verlenen, mede gezien het feit 'dat de begraafplaats reeds bestaat uit een verzameling grafmonumenten, welke niet allen volledig geslaagd genoemd kunnen worden, zodat het bijplaatsen van dit afgekeurde monument het aanzien niet verder doet dalen’. (!)

 

Aldegonda Meijers (1872-1927) (Vak 3b, 1)

De stoffelijke resten van de in Roermond geboren en in 1927 te Venray overleden Aldegonda Meijers werden op 21 september 1960 op het Oude Kerkhof opgegraven om bijgezet te worden in het dubbelgraf van haar echtgenoot Gerard Mesterom (1875-1960) op de algemene begraafplaats Tussen de Bergen. In 1947 is van gemeentewege besloten het graf op het Oude Kerkhof onaangeroerd te laten. De beschadigde sokkel van de grafsteen is ter plekke nog aanwezig.

Gerard Mesterom was een Roermondse glazenier die in 1893 in dienst trad bij het ‘Atelier voor de glasschilderkunst’ van Frans Nicolas & Zn. Van menig aankomend glazenier in het atelier was Mesterom de leermeester, onder anderen van Joep Nicolas, zoon van Charles Nicolas. In 1926 werd hij zelfstandig ondernemer en  ging deelnemen in het glazenierbedrijf  P.Stroucken en Zn. aan de Kapellerlaan. Uit deze periode (1929) stamt zijn eerste eigen werk van zeven glas-in-lood ramen in de processiegang van de Bedevaartskapel ‘O.L. Vrouw in het Zand’ in Roermond. Eind 1932 verhuisde hij naar Bunde bij Maastricht, waar hij samen met zijn zonen Henri, Sjra en Bèr het glazeniervak voortzette in het ‘Hoolhoes’, een voormalig brouwershuis aan de Oude Rijksweg. Vele Limburgse glazeniers zoals Charles Eyck en Henri Jonas, waarmee Gerard Mesterom, behalve een vriendschappelijke, ook een artistieke band had, hebben hun ontwerpen door hem laten uitvoeren. Op zijn 75ste verjaardag werd hij pauselijk onderscheiden met de gouden medaille Pro Ecclesia et Pontifice voor zijn grote verdiensten op gebied van kerkelijke kunst. Naast een veelvoud van glasschilderramen heeft Gerard Mesterom ook opalinewerken, olieverfschilderijen, krijttekeningen en keramische kunstwerken nagelaten. Rond het jaar 1968 is het bedrijf opgeheven.

(Met dank aan Harry Vrancken, Sweikhuizen)

 

Gerard Mesterom

 

 

Rosa Nathan-Ullmann (1863-1942) (Vak C,63)
In tegenstelling tot enkele van haar joodse familieleden is de in Altenstadt/Iller (Beieren, D.) geboren statenloze, voorheen Duitse, Rosa Nathan-Ullmann tijdens de Tweede Wereldoorlog een natuurlijke dood gestorven. Haar ouders waren de landbouwer Samson Ullmann en Nanette Bendel, die in 1859 in het huwelijk traden. Rosa Nathan-Ullmann was de weduwe van Bernhard Nathan. In 1939 zocht zij haar toevlucht bij familie in Roermond, die er zich vanuit Duitsland reeds een jaar eerder gevestigd had. Samen met haar, in Vierssen geboren latere koopman in veevoeder, zoon Paul Nathan (1896-1943) en haar in Düsseldorf geboren kleinzoon Herbert Nathan (1929-1943), woonden ze aan de Godsweerdersingel 13. Zowel Paul als Herbert Nathan zijn op 17 september 1943 in Auschwitz vergast. In hetzelfde pand waren gedurende de oorlogsjaren eveneens de echtgenote van Paul Nathan, Augusta Cohn (*1901) en haar zoon Kurt Nathan (*1925), werkzaam bij Cillekens IJzerwaren aan de Neerstraat, woonachtig. Beiden hebben de oorlog overleefd en zijn uiteindelijk geëmigreerd naar Argentinië.
(Met dank aan Hein van der Bruggen) (www.joodsmonument.nl)


Petrus Joannes Hubertus (Jean) Nouwen (1895-1945) (Vak 3a, 5)

De in Weert geboren Jean Nouwen was sinds zijn jeugd lichamelijk gehandicapt door een ruggengraatvergroeiing. Jean was werkzaam als commies der Registratie en Domeinen in de Begijnhofstraat waar ook het Kadaster gevestigd was. In 1935 trouwde hij met de uit Roermond afkomstige Maria Elisabeth (Lies) Neelen (1900-1985) en woonden tot 1938 aan de Thorbeckestraat. Daarna verhuisden ze naar hun nieuwe huis aan het Bisschop Schrijnenplein. De handicap van haar man was voor Lies Neelen geen beletsel met hem in het huwelijk te treden. Haar credo was: ‘de liefde overwint alles’. Evenals haar echtgenoot werkte ze bij de Registratie en Domeinen en wel als rijksklerk. Een jaar na hun huwelijk werd hun enige dochter Nelleke geboren. Zoals zo velen uit Roermond is het gezin Nouwen begin 1945 naar de noordelijke provincies, met name Franeker, moeten evacueren Na de bevrijding keerden zij terug naar Roermond, alwaar Jean Nouwen in december 1945, vermoedelijk aan hartfalen, vrij plotseling overleed. Bijzonder aan het grafmonument is dat de urn met de as van Lies Nouwen-Neelen bevestigd is aan het front van de grafsteen, in tegenstelling tot andere urnen die zich in een graf of grafkelder bevinden en niet zichtbaar zijn.

(Mededeling Nelleke Frinking-Nouwen, Roermond)

 

 

 

Graf Nouwen-Neelen

 

Mozes Polak (1877-1950) (Vak C, 78-79)
Een van de recente graven op het oude gedeelte van de nieuwe joodse begraafplaats betreft de laatste rustplaatsen van de uit Veendam afkomstige Mozes Polak en zijn Roermondse echtgenote Selma Neuman (1879-1963), waarmee hij in 1902 in het huwelijk trad. Hij was een zoon van Nathan Isaac Polak en Rachel Cohen. De kinderen van het echtpaar Polak-Neuman, Nico en Rachelle, overleden respectievelijk op één en drie jarige leeftijd. De ouders van Selma, die nog twee jongere broers, Jozef en Max, had waren Isaac Neuman en Rosa Cappel.

 

 

Frederik Hendrik Pollaert (1874-1941)(Vak 13, 70)
Pal naast het rijksmonument van de zoeaaf Küppers bevindt zich de laatste rustplaats van de te Maasniel geboren Frederik Hendrik Pollaert. Hij was metselaar/aannemer van beroep en in 1901 gehuwd met Catharina van Grunsven (1875-1924). Zij was afkomstig uit Lithoyen nabij Oss (N.Br). Haar graf is te vinden in vak 1b nummer 51. Het echtpaar Pollaert-Van Grunsven woonde destijds aan de Roermondsestraat in de wijk Gebroek en kreeg vier kinderen. De eerstgeborene was To Pollaert (1902-1997), vervolgens Ties Pollaers (1906-1980), die in 1952 met zijn gezin naar Australië emigreerde, Lies Pollaers (1908-1987) en Harrie Pollaers (1910-1985).Beide zonen traden in de voetsporen van hun vader en werkten eveneens in de bouwwereld. Opvallend is datde schrijfwijze van de achternaam van vader Pollaert en het oudste kind eindigt op een t, terwijl de andere drie kinderen Pollaers heten, met een s aan het einde. Mogelijk een slordigheid bij de toenmalige Maasnielse burgerlijkestand.
(Met dank aan Harry Diels, Roermond)

 

Pauline Raemaekers (1867-1937) (Vak 5, 26)

Pauline Raemaekers was een dochter van het echtpaar Raemaekers-Michels (zie: pag. 208) en een zus van de uit Roermond afkomstige beroemde cartoonist Louis Raemaekers (zie: pag. 308). Andere, eveneens in Roermond geboren, broers waren Jos en Henri Raemaekers. Pauline studeerde piano in de klasse Kamermuziek aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel bij professor Janina Zarembska-Wenzel († 1928). Zij en haar Poolse echtgenoot Juliusz Zarembska (1854-1885) waren beiden een van de laatste leerlingen van de componist Franz Liszt. Eind juni 1888 behaalde Pauline Raemaekers tijdens een concours in Brussel ter gelegenheid van de aldaar gehouden Wereldtentoonstelling  een zeer verdienstelijke tweede prijs. Er waren nog zes andere mededingers. In de Roermondse krant de Nieuwe Koerier van 30 juni werd dit feit belangrijk gevonden vermeld te worden. Paulina overleed, zeventig jaar oud, na een kort ziekbed in het Instituut St. Elisabeth te Ukkel. Ten tijde van haar overlijden woonde haar twee jaar jongere broer Louis met zijn gezin in Brussel. Het is niet bekend of zij met de familie het huis aan de Avenue de l’Hippodrome 7 deelde of apart woonde. Haar stoffelijk overschot  werd overgebracht naar Roermond en aldaar op 4 augustus 1937 begraven.

(Met dank aan Ariana de Ranitz, Utrecht)

 

Godefriedus Hubertus Ramakers (1878-1936) (Vak 9, 8)

De in Swalmen geboren Godefriedus Ramakers vestigde zich als slager aan de Varkensmarkt in Roermond. Hier ontmoette hij Anna Maria Erdkamp (1880-1969), wier ouders, eveneens aan de Varkensmarkt, een zaden - en kruidenhandel dreven. In 1902 traden ze in het huwelijk en begonnen een slagerij aan de Hamstraat 10. Het echtpaar kreeg elf kinderen, negen meisjes en twee jongens. Na het, ten gevolge van een longaandoening, overlijden van Godefriedus, nam de jongste zoon de slagerij over. Na aanvankelijk nog bij de slagerij gewoond te hebben, verhuisde Anna Ramakers-Erdkamp naar een eveneens aan de Hamstraat wonende dochter. Uiteindelijk nam ze haar intrek bij een andere dochter in Bergeijck (N.Br). Op 89 jarige leeftijd overleed zij in een ziekenhuis te Eindhoven en werd vervolgens in Roermond begraven bij haar in 1936 overleden echtgenoot.



 

 

familie Ramakers

 

Hendrik Hubert Van Reij ((1832-1909) (Vak 20,12)

De familienaam Van Reij (ook: Van Rey) is afkomstig uit de Belgisch Limburgse plaats Maaseik. Jean Jacques van Reij, gehuwd met Sibille Aldegonde Bovie, vestigde zich als zadelmaker rond 1826 in Roermond. Een van hun kinderen was Hendrik Hubert Van Reij, slager van beroep die in 1860 te Roermond in het huwelijk trad met Maria Elisabeth Beaumont (1834-1920). Het echtpaar kreeg zes kinderen waaronder  Anna Petronella Hubertina van Reij (1875-1941)(Vak 12, 50) die in 1902 trouwde met de banketbakker Carolus Hubertus Johannes Clout (1874-1950). Aanvankelijk werd laatstgenoemde na zijn overlijden op de algemene begraafplaats ‘Tussen de Bergen’ begraven, maar zijn stoffelijke resten werden op 15 april 2010 (het jaar dat er door de gemeente nieuwe grafrechten voor het Oude Kerkhof werden uitgegeven) na 69 jaar herbegraven in het graf (vak 12, nr. 50) bij zijn eerder overleden echtgenote. Een plaquette op de grafsteen herinnert aan dit feit. Een broer van Anna van Reij was Jacobus Henri Hubert van Reij (1870-1938), evenals zijn vader slager van beroep. In 1900 trouwde hij met de in Limbricht geboren Maria Elisabeth Salden(1873-1951). Zij overleed te Nieuwstadt. Beiden rusten in vak 5, graf 108. De Roermondse politicus Jos van Rey (1945) is een van hun kleinkinderen.

(Met dank aan Jos van Rey, Roermond)

 

Echtpaar van Reij-Salden

 

 

Joseph Adolf Lodewijk Frans Steffens (1821-1899) (Vak A, 441) 

Adolf Steffens was een zoon van Herman Joseph Steffens, kantonrechter te Horst en de in Beesel geboren Anna Maria Rouffs. Herman Steffens was de laatste rentmeester van het inmiddels gerestaureerde ’kasteelke’ Huis Meerlo. Zoon Adolf werd geboren in Horst en bleef gedurende zijn leven vrijgezel. Na inspecteur der posterijen in Noord-Holland en Utrecht geweest te zijn, werd Steffens directeur van het postkantoor te Roermond en was hij vanaf 1885 tot aan zijn overlijden aldaar gemeenteraadslid. Zijn grafmonument , ontworpen door het ‘atelier voor kerkelijke kunst’ Joseph Tissen, werd vervaardigd in de werkplaats van Joseph Stienon, kleinzoon van  steenhouwer Georges Stienon in Voorstad St. Jacob. Het hekwerk werd geleverd door smid Peeters uit de Swalmerstraat. Op het monument zijn, afgezien van het familiewapen, twee wapenschildjes met posthoorns te onderscheiden, verwijzend naar het vroegere beroep van Steffens.

(Bron: Maurice Heemels/Rob Dückers, Grafstijlen op de Roermondse begraafplaats nabij Kapel in ’t Zand tussen 1870 en 1940, Jaarboek 2015 SHCL)

 

 

Adolf Steffens

 

 

Mathias Joseph Stengele (1822-1900) (Vak A, 579)

Mathias Stengele vestigde zich omstreeks 1856 als graveur in de Swalmerstraat te Roermond. Hij werd geboren in Herzogenrath (D.) en trad in het huwelijk met Maria Neben (1841-1885). Beiden rusten onder een grafmonument dat zowel klassieke, middeleeuwse als ook renaissanceachtige kenmerken draagt.  Een familiaire relatie met de boekdrukker (later SPD politicus) Gustav Stengele (1861-1917) is vooralsnog niet aangetoond.

(Bron: Maurice Heemels/Rob Dückers, Grafstijlen op de Roermondse begraafplaats nabij Kapel in ’t Zand tussen 1870 en 1940, Jaarboek 2015 SHCL)

 

Lambertus Joostinus Sterkenburg (1873-1945) (Vak 10,7)

Na eerst begraven geweest te zijn in vak 18, graf 41, heeft de te Gorichem geboren Lambert Sterkenburg zijn uiteindelijke laatste rustplaats gekregen in het graf van zijn uit Thorn afkomstige echtgenote
Maria Angelina Hubertina Snickers (1864-1937). Zij was een dochter van Jean Snickers en Dorothea Theelen, die ‘boerden’ op de ‘Grote Hegge’. Lambert Sterkenburg was als Kapitein der Infanterie gelegerd in Roermond. Hier ontmoette hij zijn vrouw met wie hij op 7 juni 1904 in het huwelijk trad. Angelina Snickers was redelijk gefortuneerd, in tegenstelling tot haar echtgenoot die als oud-K.N.I.L. officier een karig pensioen genoot. Door de relatieve welstand kon er echter veel gereisd worden. Zo traden zij in de jaren '30 tijdens een reis naar Servië en Macedonië in de voetsporen van de Nederlandse schrijver A. den Doolaard.* Geruime tijd bewoonden het echtpaar het in 1904 in opdracht van Angelina gebouwde pand, genaamd ‘Mon Desir’ aan de Rijksweg te Baexem. Toen dit huis wegens verkeerstechnische maatregelen gesloopt moest worden, verhuisde het echtpaar naar Roermond om zich te vestigen aan de Kapellerlaan 111. Lambert Sterkenburg, die Indisch bloed had, was wegens ‘tropenjaren’ met vervroegd pensioen gegaan. In februari 1945 was hij door ziekte te zwak om geëvacueerd te worden. In de kelders van de toenmalige ‘Eiermijn’ werden Roermondenaren die hetzelfde lot troffen, al of niet door familieleden verpleegd en waren daardoor uitgesloten van evacuatie naar een van de noordelijke provincies. Lambert Sterkenburg overleed er op 22 februari. Daar hun huwelijk kinderloos bleef ging de erfenis naar een nicht van Angelina, Dorothea Houben-Tonnaer, die als modiste een bekende hoedenzaak exploiteerde aan de Varkensmarkt in Roermond.

* In de Macedonische stad Ohrid is in 2006 een monument voor Den Doolaard opgericht.

Met dank aan Henri Houben, Roermond.

 


Lambert Sterkenburg___Angelina Snickers _______Huize 'Mon Desir'

 

Dominicus Theodorus Hubertus Timmerman (1811-1866) (Vak A,566-567)
De ouders van Dominique Timmerman waren Leonardus Timmermans en Jeanne Alberts die in 1799 in Venlo in het huwelijk traden. Ze kregen tien kinderen. De laatste letter -s van de achternaam werd circa 1790 weggelaten, waarna het Timmerman werd. In 1846 behaalde de te Venlo geboren Dominique Timmerman zijn apothekersdiploma in Maastricht. Hij zou bovendien gestudeerd hebben in Duitsland, Zwitserland en Italië, maar er zijn geen aanwijzingen dat deze studies gerelateerd waren aan het beroep van apotheker. Hij bleef ongehuwd en woonde samen met zijn jongste zus Julia Elisabeth Hubertina Timmerman (1817-1898), die eveneens in dit graf rust, in zijn apothekerspand aan de Schoenmakerstraat. In 1849 verhuisde Timmerman met zijn apotheek naar de hoek Munsterstraat/Heilige Geeststraat, waar hij werd opgevolgd door Lambert Romen (zie: pagina 195).

 

Zef Vleeshouwers (1929-2015)(Vak 17, 12)

De op 14 mei 1929 in Hunsel geboren emeritus priester Zef Vleeshouwers kwam uit een groot gezin met een katholieke levensinstelling. Hij bezocht het gymnasium in Weert, het Klein Seminarie te Rolduc en het Groot Seminarie te Roermond. In 1956 werd hij tot priester gewijd en begon als kapelaan in de parochies Maasbree en Bergen(L.). Vervolgens  keerde hij als pastoor terug naar Roermond om de Heilige Geest parochie onder zijn hoede te nemen. Tot lang na zijn emeritaat heeft hij dit met volle overgave gedaan. Een complicatie tijdens een eenvoudige ingreep in het Sint- Laurentiusziekenhuis in Roermond werd hem fataal. Hij overleed op 3 oktober 2015.

 

 

Zef Vleeshouwers

Nicolas Christiaan van der Vliet (1864-1945) (vak 9, 22)
Van oorsprong stamt de familie Van der Vliet rond 1650 uit Breukelen- Nijenrode. De ritmeester der Cavalerie Nicolas Christiaan van der Vliet overleed op 80-jarige leeftijd te Oegstgeest. In 1895 trouwde hij in Venlo met Theodora Cornelia Erkamp (1871-1944). Het echtpaar kreeg vijf kinderen. Eén van hen was Anna Hubertina Paulina (Annie) van der Vliet (1900-1997), in 1922 gehuwd met Michel Frans Hubert Bremmers. Zij werd geboren in Venlo en overleed in Drunen. Michel Bremmers was werkzaam als administrateur bij de suikerfabriek ‘Gordang Winangan’ in het regentschap Klaten op Java in Nederlands-Indië. In 1952 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hun dochter Theodora Mathilde (Thea) Bremmers (1927-2013) werd aldaar geboren en trad in het huwelijk met René Jacques Henry Lach de Bère (1926-2011). Zijn wieg stond in Amersfoort en hij overleed in Tilburg. In leven was hij Kolonel der Infanterie b.d., voormalig Garnizoenscommandant van ’s- Hertogenbosch en Provinciaal Militair Commandant van Noord-Brabant. Hij werd geridderd in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden en was Drager van het Ereteken voor Orde en Vrede met de gespen 1948 en 1949. Bovendien was hij erelid van de Vughtse Mixed Hockey & Cricketclub ‘MOP’. Alle genoemde overledenen, met uitzondering van Michel Bremmers, zijn in dit graf begraven of er in een asurn bijgezet. Johan Marie Herman (Henri) van der Vliet (1897-1926), zoon van het echtpaar Van der Vliet-Erkamp, is begraven in vak 3b, nummer 44. Hij werd geboren in Venlo, was werkzaam in Indonesië bij een bedrijf dat een overblijfsel was van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en overleed op 29-jarige leeftijd te Roermond.
(Foto's Wim Bongaerts).

* De familie De Bère is zowel verwant aan de familie Bijl de Vroe (pag. 274) als ook aan de familie Van Gorkum (pag. 280). De KNIL luitenant-kolonel Philip F.L.C. Lach de Bère (1859-1936) was gehuwd met Dorothea Elisabeth Bijl de Vroe. Jan Egbertus van Gorkum (1780-1862) huwde in 1805 met Jacobus Jydia Maria de Bère (1787-1849).



echtpaar van der Vliet-Erkamp

 



Annie Bremmers-van der Vliet

Henri van der Vliet

 

Antoinette Jeanette Voerman (1879-1918) (Vak B, 11)

In 1907 huwde de in ‘Stad Ommen’ (Ov.) geboren Antoinette Voerman de uit Leens (Gr.) afkomstige Jacob Rietema. Het echtpaar kreeg in 1912,1915 en 1917 achtereenvolgens drie dochters, waarvan de laatste, Lamberta Johanna  Rietema, slechts tien maanden oud werd. Zij werd evenals haar moeder ter aarde besteld op het protestantse gedeelte (Vak 1b). Jacob Rietema was surnumerair (overtallig) controleur der grondbelastingen en woonde aan de Kapellerlaan 15. Bovendien publiceerde hij o.a. ‘Uit Wad en Polder’, een bundel schetsen en het Groninger dorpsverhaal ‘Zijn tweede Vrouw’. Hij was redacteur van het maandblad Groningen en schreef ook boeken in Groninger dialect. Na het overlijden van zijn echtgenoot in 1918 hertrouwde hij in 1920 Betsy van ’t Hof.

(Bron: o.a. Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)

 

   

Paulus Dominicus Johannes Jozef (Paul) Voestermans (1909-1938) (Vak 10, 26) Tengevolge van een noodlottig ongeval overleed groentehandelaar Paul Voestermans op de geboortedag van prinses Beatrix, 31 januari 1938.

Komende over de rijksweg uit de richting Echt botste de door Voestermans bestuurde zwaar beladen vrachtwagen met een enorme klap op een tractor met aanhanger van de firma ‘de Globe, dakpannenfabrikant uit Tegelen, die ter hoogte van het voormalige Maasbracht-Station rechts van de weg geparkeerd stond. Voestermans was op slag dood, zijn mede inzittende werknemer Gerard van Melick raakte ernstig gewond. Paul Voestermans was getrouwd met Elisabeth Bayer en vader van twee kinderen. 

 

 

Christiaan Karel de Vries (1861-1929) (B, 2,12)

Een van de vele militairen die op het Protestantse gedeelte begraven zijn was de adjudant onderofficier der infanterie bij de Landweer Christiaan Karel de Vries.

De Landweer was tussen 1901 en 1922 een reserveleger van vrijwilligers en dienstplichtigen, opgericht om in korte tijd naast de reguliere krijgsmacht een groot aantal soldaten te kunnen mobiliseren. Christiaan Karel de Vries werd geboren in Vlissingen en trouwde in 1886 met de zes jaar oudere Johanna Steenaart (1855-1942) uit Den Helder. In de burgermaatschappij was hij kassier bij de Nederlandse bank. Het gezin De Vries woonde aan de Willem II Singel 10 A. Ze kregen vier kinderen. Zoon Johannes Adrianus werd in 1889 in Den Bosch geboren, Christiaan Bernard Johan Hubert  in 1892 te Venlo, hun dochters  Maria Cornelia Johanna  en Johanna Catharina Susanna  respectievelijk in 1893 en 1894, eveneens te Venlo.

 

 

Petrus Hubertus Willemsen (1840-1919) (Vak A, 18-20)  

Hubert Willemsen was koopman in manufacturen, lid van de katholieke kiesvereniging en wethouder van Roermond tussen 1894 en 1919.

In die hoedanigheid trad hij langdurig op als plaatsvervanger van de ziekelijke burgemeester Sanders. In dit familiegraf met de grote bronzen Christusfiguur zijn eveneens zijn ouders Johannes Franciscus Willemsen (1803-1882),van beroep slotenmaker en Helena Hubertina Simons (1818-1888) begraven, benevens zijn broers Gregorius Hubertus Willemsen (1859-1907) en Leo Hubertus Willemsen (1849-1918) en zijn zussen Mechtidis Hubertina Willemsen (1849-1915) en Maria Margaretha Hubertina Willemsen (1851-1931). Hubert Willemsen bleef ongehuwd.

(Met dank aan Maurice Heemels, Heythuysen)

 

  

Maria Josephina Catharina Hubertina Xhofleer (1865-1944) (Vak 22, 3)

Evenals de families Xhaflaire stamt de familie Xhofleer af van van oorsprong Belgische kermisexploitanten die Roermond als thuishaven hadden (zie pagina 143). De ouders van Josephina Xhofleer waren de orgeldraaier Joseph Xhofleer (1833-1873) en de uit Posterholt afkomstige kraamster Anna Stevens (1834-1927). Zij werd 92 jaar oud en werd begraven in vak 3a, nummer 30. De verwijzing naar haar grafplaats is nog aanwezig, de uiterlijke kenmerken niet meer. Deze Joseph Xhofleer zou geboren zijn uit een kortstondige relatie die zijn moeder, Margaretha Xhaflaire, had met een onbekend iemand. Vandaar dat hij de aangepaste achternaam van zijn moeder draagt. In ieder geval was hij niet de zoon van haar wettige echtgenoot Pierre Libot, vanwege zijn postuur bekend als ‘de Reus’ en in 1843 de oprichter van het destijds in België populaire circus Libot. In 1889 trad Josephina Xhofleer in het huwelijk met de in 1866 te Roermond geboren metselaar Theodorus Leijendeckers.

 

 

Circus Libot

____________________________________________________________________________________________________________________________

____________________________________________________________________________________________________________________________

 

 

AFBEELDINGEN DIE BETREKKING HEBBEN OP EEN REEDS BESCHREVEN LAATSTE RUSTPLAATS

 

Johann Viktor Henderickx (pag. 61)

 

 

 

 

 

 

Carl Weber, pagina 97/98

 


Op deze foto zijn de architect Carl Weber en zijn eerste echtgenote Emily of Stratford de Redcliffe beiden zittend ten halve lijve afgebeeld. Zij draagt een strak kapsel met pijpenkrullen en is gekleed in een donkere hoog gesloten jurk. Hij draagt een gesloten colbert met een shawltje rond zijn hals. De foto is duidelijk in scene gezet. Webers' vrouw was namelijk al overleden toen ze gefotografeerd werd. Haar lichaam werd op het bankje gezet en kunstmatig overeind gehouden, hetgeen o.a. te zien is aan het kettinkje dat haar hand in positie houdt. Carl Weber heeft naast haar plaatsgenomen en poseert alsof beide echtelieden samen op het bankje zijn gaan zitten.
De foto is gemaakt met de vroegste fotografische techniek volgens het daguerreotype principe. Hierbij werd een gepolijste met een zoutoplossing voorziene verzilverde koperen plaat gebruikt die aan licht werd blootgesteld. Na blootstelling aan kwikdamp ontstaan op de plaat positieve spiegelende beelden.

Met dank aan Gerard van de Garde en Léon Gilissen, GAR.

 

 


Grafkelder Stoltzenberg, pagina 105/106/107



Maria Christina Hubertina Josephina Stoltzenberg was een dochter van François Stoltzenberg, de vennoot van Pierre Cuypers. Zij trouwde in 1868 met de architect Antoine Bolsius (1839-1874) die aanvankelijk bij Cuypers in dienst was en die het huis naast de Cuypers Werkplaatsen (Andersonweg 10) bouwde voor hemzelf en zijn vrouw Bolsius-Stoltzenberg. Op de foto, die afkomstig is uit een fotoalbum van de familie Stoltzenberg en zich momenteel in het Cuypershuis bevindt, is Antoine Bolsius te zien op zijn sterfbed.

Met dank aan Léon Gilissen, Cuypershuis Roermond

 

Familiegraven Haan, pagina 192/193/194/195

 

Uitvaart van luitenant-kolonel Ernest Haan op 12 juli 1939

Ernest Haan verlaat het ouderlijk huis apothekerspand Neerstraat 22

 

 

De begrafenisstoet op weg van de Neerstraat via de Marktstraat naar de Kathedraal

 

De begrafenis op het Oude Kerkhof. In uniform (zonder medaille) saluerend: apotheker zoon Frits Haan jr.


Foto's “R.K. Persbureau Het Zuiden” – ’s Hertogenbosch-Maastricht.
Met dank aan Joep Haan, Linne.

 

 

Florentine (Tiny) Imkamp (1910-2001), pag. 225